Geef de schuld aan Facebook én aan jezelf.

Vorige week dinsdag ben ik de hele nacht opgebleven om de verkiezingsnacht te volgen. Van tevoren zei ik dingen als: Wel saai, want Hillary gaat toch winnen. Ik kon mij namelijk op geen enkele manier indenken dat er mensen zijn die echt Trump steunen. Net zoals ik het niet kan voorstellen dat je op Wilders stemt. Mijn Facebook timeline bevestigt mij in deze gedachten. Ook praat ik bijna nooit met iemand die openlijk een van deze twee heren zeer waardeert. Wat zegt dat eigenlijk over mij? Ben ik eigenlijk wel zo ruimdenkend als ik denk?

Tegenwoordig zien veel mensen hun nieuws via Facebook, zo ook ik. In las de dagen na de verkiezing een artikel van de Volkskrant over ‘De-Trumpstemmer’, die werd beschreven als een bierdrinkende man in een stripclub. Ook de stripper zelf was een aanhanger van de nieuwe president van de VS. Mijn Facebook algoritme had bepaald dat dit een goed stuk voor mij was. Vervolgens scrolde ik door en zorgde Facebook dat ik de video van De Correspondent zag, die door veel van mijn vrienden was geliked en zelfs gedeeld. In het filmpje legt Rob Wijnberg uit hoe haalbaar het verkiezingsprogramma van de PVV is. Volgens Wijnberg niet haalbaar. Hoewel ik eerst het filmpje enthousiast bekeek terwijl ik instemmend knikte, ben ik daar toch op teruggekomen.

Qua uitleg is dit filmpje goed. Maar het zoomt enkel in op het verkiezingsprogramma. Dat is juist niet de kern van het populisme. Als Wilders weg komt met zijn één-pagina-tellende-verkiezingsprogramma, dan is er iets anders waarom mensen op hem stemmen. Een stem op Wilders is een stem tegen de gevestigde orde. Sterker nog, PVV-stemmers klagen juist op de ellenlange programma’s van de andere partijen, omdat die zich uiteindelijk nooit aan hun programma houden. Daar hebben ze trouwens wel een punt.

Dus of het dan zin heeft om het verkiezingsprogramma te analyseren door een linkse elite zoals Wijnberg, ik denk het niet. Het bevestigt vooral mensen die al tegen de PVV waren. Mensen die zichzelf vaker als hoogopgeleid en tolerant zien. Hier zie ik de tweedeling tussen de beide groepen alleen maar groter worden. En hoe tolerant is dat eigenlijk?

Ik zeg niet dat ik nu ineens fan ben van de PVV, sterker nog, verre van. Maar omdat tegenwoordig zoveel mensen dat wél zijn wil ik het begrijpen. Dat betekent niet het met iedereen eens zijn, maar ook niet alleen op zoek gaan naar nieuws wat je eigen mening bevestigt. En hopelijk proberen andere mensen mij dan ook te begrijpen. Dat zorgt voor eenheid in plaats van polarisatie. Begrijp je?

Stijlfiguren: Spaar ze allemaal!

Zie onderaan voor de verklarende woordenlijst en de voorbeelden.

Een artikel met verschillende woorden. Een artikel met verscheidende zinnen. Een artikel met vele stijlfiguren! Voordat je nu denkt: waar gaat het heen met deze zweverige inleiding; ik heb zojuist in vier zinnen vier stijlfiguren gebruikt. Een anafoor (1), een exclamatie (2), een drieslag (3) en een anticipatie (4)En het gaat alleen nog maar beter worden (understatement 5)! Of was dat ironisch (6)? Jij oordeelt. Oh shit, dat is er weer een (aanspreking 7).

In de journalistiek, bij je buurvrouw en in de politiek, je komt stijlfiguren overal tegen (prolepsis 8). Een klassieker onder de stijlfiguren is toch wel de peteritie (9): Je zegt hierbij dat je ergens niet op in gaat, maar je doet het vervolgens wel. Ha, handig, moet Wilders gedacht hebben. Zo zei hij ooit over het CDA: ‘Ik zeg niet dat ze hun moeder verkopen om te gaan regeren, maar ze hebben er wel veel voor over om in een kabinet te komen’. Het is fantastisch (oke.. hyperbool 10), ook jij kan dus dingen zeggen en er verder totaal geen verantwoordelijkheid voor nemen. Je hebt toch immers gezegd dat je het eigenlijk niet wil zeggen? (retorische vraag 11).

‘Lekker boeiend’ zal Henk van Ingrid misschien denken (fictio personae 12), maar naast dat het zeker niet saai is (litotes 13) om originele formuleringen te maken, kunnen stijlfiguren dus ook functies hebben. Bijvoorbeeld een sociale functie en een doen-alsof-je-objectief-bent-maar-het-niet-bent functie (perifrase 14).

Door een opmerking te maken die alleen jouw eigen intellectuele groepje snapt, kan je ervoor zorgen dat luisteraars zich meer betrokken voelen; een sociale functie. Dit wordt een allusie genoemd (15). Ik ga hiervan geen voorbeeld noemen, stel dat jullie dan niet bij mijn intellectuele groepje horen (ironie 16). Verder maken stijlfiguren het je gemakkelijk als je wilt doen alsof je objectief bent, maar het stiekem niet bent. Namelijk door het gebruiken van specifieke woorden. Je kan netjes over het koningshuis vertellen, maar ondertussen toch Willem-Alexander Prins Pils noemen (perifrase/synoniem 17).

Is het dan erg dat dit gebeurt? Nee, vind ik (subiectie 18). Maar leuk om de stijlfiguren te ontdekken is het (inversie 19). Ze zijn echt overal. En zoals Johan Cruijff ooit zei: ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt’ (sententie 20).


Verklaring stijlfiguren

  1. Anafoor: Herhaling van een woord of woordgroep aan het begin van op elkaar volgende zinsdelen, zinnen of nog grotere tekstdelen.
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘een artikel … een artikel … een artikel’.
  2. Exlamatie: Een pathetische uitroep.
    • Voorbeeld uit de tekst: ”Een artikel dat vol staat met stijlfiguren!’
  3. Drieslag: Opsommingen van drie woorden, zinsdelen of zinnen. 
    • Voorbeeld uit de tekst: zie anafoor. 
  4. Anticipatie: Het vooruitlopen op en meestal bij voorbaat weerleggen van bezwaren of tegenwerpingen die worden verwacht. 
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘Voordat je nu denkt: waar gaat het heen met deze zweverige inleiding.’
  5. Understatement: In plaats van overdrijven wordt bij deze figuur ‘onderdreven’: er wordt een te zwakke uitdrukking gebruikt. 
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘En het gaat alleen nog maar beter worden.’
  6. Ironie: Lichte spot door het tegenovergestelde te zeggen van wat men bedoelt, of door op andere wijze een contrast tussen het bedoelde en gezegde aan te brengen, bijvoorbeeld een overdrijving.
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘En het gaat alleen nog maar beter worden.’
  7. Aanspreking: het door middel van u, je en dergelijke invoeren van het aangesproken publiek in de tekst. 
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘Jij oordeelt’.
  8. Prolepsis: Het grammaticaal geïsoleerd voorropplaatsen van een woord(groep) waar men de nadruk wil leggen. 
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘In de journalistiek, bij je buurvrouw en in de politiek, je komt stijlfiguren overal tegen.’
  9. Preteritie: Zeggen dat men ergens niet op zal ingaan, maar het intussen wel onder de aandacht brengen.
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘Ik zeg niet dat ze hun moeder verkopen om te gaan regeren, maar ze hebben er wel veel voor over om in een kabinet te komen.’
  10. Hyperbool: Overdreven uitdrukkingswijze die iets groter voorstelt dan dat het verdient.
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘Het is fantastisch.’
  11. Retorische vraag: Een schijnvraag omdat het antwoord er al in ligt opgesloten.
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘Je hebt toch immers gezegd dat je het eigenlijk niet wil zeggen?’
  12. Fictio pesonae: Het sprekend opvoeren van al dan niet bestaande personen. 
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘Lekker boeiend’ zal Henk van Ingrid misschien denken
  13. Litotes: Sterke bevestiging door middel van ontkenning van het tegenovergestelde.
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘zeker niet saai.’
  14. Perifrase: Het vervangen van de normale aanduiding door een meestal uit meer woorden bestaande omschrijving.
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘doen-alsof-je-objectief-bent-maar-het-niet-bent functie’
  15. Allusie: Een toespeling op een voor de lezer of toehoorder bekend feit of bekende uitspraak, waarbij de verwijzing opzettelijk impliciet wordt gehouden omdat men mikt op goede verstaanders.
  16. Ironie: zie 6
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘Ik ga hiervan geen voorbeeld noemen, stel dat jullie dan niet bij mijn intellectuele groepje horen.’
  17. Synoniem (Perifrase zie 14): Woord of uitdrukking met een betekenis die (bijna) gelijk is aan de betekenis van het vervangen woord.
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘Prins Pils’. (Dit voorbeeld lijkt ook op een perifrase)
  18. Subiectie: Vraag die door de spreker of schrijver zowel opgeworpen als beantwoord wordt.
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘Is het dan erg dat dit gebeurt? Nee, vind ik.’
  19. Inversie: Het – vergeleken met de gewone mededelende zin – omkeren van de volgorde van onderwerp, gezegde en bepalingen. 
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘Maar leuk om de stijlfiguren te ontdekken is het.’
  20. Sententie: Opvallend gestileerde en wijsheid pretenderende gedachte met algemene strekking.
    • Voorbeeld uit de tekst: ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt.’

 

 

 

Over je eigen einde beslissen

Ik was nog achttien en mijn oma zei tegen mij: ‘’hopen dat het snel over is’’. Ik schrok, want ik dacht even dat ze het over het leven had. Ze doelde op mijn schoolexamens. Nu, zes jaar later, wil ze wel dat het over is. Haar leven. Als je niet meer zelf uit bed kan, niet meer zelf naar de wc en al helemaal niet meer jezelf buitenshuis verplaatsen, wat wil je dan nog? Dood?

Het is een lastig onderwerp. Ik ben vanmiddag langs geweest, maar we hebben het beiden liever over hoe het gaat met mijn studie dan over de dood. Ook nu ik dit typ voel ik mij toch wat raar, mag je wel typen over andermans dood?

Er zijn mensen die vinden dat je nooit naar de dood moet verlangen. Een leven dat niet perfect is, of sterker; verre van perfect, is ook een waardig leven. Je zou er alsnog iets van kunnen maken: het leven is een feest, maar je moet wel zelf de slingers ophangen. Maar probeer die slingers maar eens op te hangen wanneer je zelf niet eens meer uit bed kan komen.

Een zelfstandige vrouw die veel van de wereld heeft gezien, kijkt nu vanuit haar bed uit haar raam en zegt: ‘’Kijk! Een auto!’’. Ja, als dat de spannendste momenten zijn van je dag. Het was niet eens een mooie auto, of een dure.

Blijft ze niet het meest bij zichzelf, namelijk zelfstandig, wanneer mijn oma over haar eigen einde beslist? Dat je beslist dat je niet nog langer in bed wil liggen met als enig uitzicht de dood, met als uitzicht dat het niet beter gaat worden. Wie heeft er meer recht om over een leven te bepalen dan de persoon zelf? Ik hoop het beste voor mijn oma, en al dat de dood is, dan hoop ik de dood voor mijn oma.

Kijken we naar comedy of een presidentieel debat?

Aristoteles had het al ruim tweeduizend jaar geleden door. Debatteren gaat, helaas, vaak vooral níet om de inhoud. Het gaat om wie de beste indruk maakt. Het gaat om de emoties de je oproept. Maar om de argumentatie, nee dat niet. Toch, Hillary Clinton en Donald Trump?

Kiezers stemmen in plaats daarvan vaak op degene die het meest op hen lijkt. Trump, maar ook Wilders, halen hier hun voordeel uit. Zo spreekt Wilders zich vaak uit tégen Den Haag, iets wat veel gemiddelde Nederlanders ook doen. (Waarbij hij niet vermeldt dat hij een van de langst zittende politici is, maar dit terzijde). Ook Trump weet een underdog positie te creëren door te doen alsof hij niet bij de politieke elite hoort. Tegen de debatleiders zegt hij dat ze partijdig zijn. Burgers spreekt dit aan; hij hoort niet bij die hoge piefen, hij is een van ons!

Niet alleen rechtse politici schaven hun imago bij. Obama en Samsom hebben bijvoorbeeld ook gewerkt aan hun imago ‘probleem’; zij kwamen iets té geleerd over. Nu lijkt een intelligente politicus misschien precies wat je zoekt, het volk denkt daar blijkbaar anders over. Ze willen niet iemand die het allemaal beter weet, ze willen iemand die ze begrijpen qua inhoud en taal. Dus voilà, daar kwam een lesje ‘normale taal’ voor Samsom en Obama.

Wanneer u zich nu bedrogen voelt, geen troost, het ligt ook aan u. Wij, het publiek, worden niet zo snel geboeid, hebben niet altijd verstand van álle politieke zaken en zijn redelijk makkelijk te bespelen door beïnvloedtechnieken. Dus dan is voor politici de keus al snel gemaakt. Wat u kunt doen is proberen deel uit te maken van wat Aristoteles het ‘ideale publiek’ noemt. Luister niet naar Clinton en Trump als ze elkaar proberen te wantrouwen, luister niet als ze met een emotioneel verhaal op de proppen komen, maar luister enkel als ze met inhoudelijke argumenten komen. Maar u zal merken, zo vaak gebeurt dat niet.